MaRf werd onder het gesternte van "Waterman" geboren in Oostende, waarbij het ouderlijk huis in Oudenburg  stond, daar zo'n 10km vandaan.( jan 1951)

Het gezin bestond uit 7 kinderen, zijn vader werkte in een vleesfabriek (in de beginjaren moest hij daartoe twee maal een goede 30km fietsen naar zijn werk) terwijl zijn moeder een kleine beenhouwerij uitbaatte en voor het gezin zorgde…dat betekent dat er 's nachts veel huishoudelijke taken als vb. strijken gedaan werden.
Met het geld dat de beenhouwerij opbracht moest iedereen verder studeren, al moest ook iedereen financieel bijspringen door een vakantiejob uit te oefenen.

Na de lagere school (tot het 4de studiejaar) en de kortst mogelijke carrière als misdienaar in Oudenburg (1 dag) werd de lagere school en daarna het middelbaar verder gezet in het college van Oostende.

Daar was hij eerder een eenzaat, iets die niet in zijn natuur lag maar om het schoolsysteem te kunnen verwerken had hij zo zijn eigen methodes…zo werd er nooit op de middagen in school gebleven maar werd steeds de stad ingetrokken; al vlug leer je dat dit veel beter gaat zonder getuigen of babbelaars.
Zo was er in die tijd ook iedere avond studie van 5 tot 7 uur en hoe hij het deed weet hij zelf niet meer, maar hij is er nooit gebleven.

In het laatste jaar humaniora valt 'mei 68' iets wat hem zeer treft en tekent maar hem ook laat beseffen dat hijzelf niet iemand is om op de barricaden te staan, geen groot geweld maar subliem stil protest.

In deze periode was het dorp en de stad zijn wereld en de straat zijn opvoeding en leerschool.
Alle mensenkennis werd daar opgedaan.

Bij 18 jaar was de humaniora voorbij en ging hij naar de Universiteit in Gent.
Een nieuw begin en iedereen neemt er symbolisch een nieuwe naam aan. Als protest dat hij er niet mag verblijven studeert hij weinig, maar leert wel Gent en zijn inwoners kennen…één iemand zo goed dat hij er jaren later ook mee trouwt. Op deze manier blijft zijn eerste verblijf in Gent beperkt tot één (plezant) jaar.

Terug naar West-Vlaanderen waar hij de studies voor Industrieel ingenieur volgt in Oostende.
Eens dat gedaan, vindt hij onmiddellijk werk in München (de keuze viel op de aanbieding die het verst lag, hij wou meer zien.) Hier leert hij ook de gesloten wereld van de galeries kennen.
Terug in zijn geliefd Gent, begint de sluimerende Kunst-microbe onweerstaanbaar te knagen.
We zijn begin jaren 70 en is dit de tijd van het ontstaan en de bloei van vele kunst- en ambachtsmarkten. In deze periode besluit hij om naar de academie te gaan, de keuze was vlug gemaakt daar men in St.Lucas inschrijvingsgeld moest betalen en in het Academie niet.

Daar volgde hij de lessen keramiek in avondonderwijs gedurende 6 jaar bij Carmen Dionyse.
Dat was een zeer mooie en vruchtbare tijd, niet de lessen waren belangrijk (er werden er bijna geen gegeven) maar de kracht, de stimuli van de omgeving was enorm, deze heeft ervoor gezorgd dat de kunst voor hem een ongeneselijke ziekte werd, het overkomt je en je moet er mee leren leven.
In het laatste jaar van de academie wint hij de provinciale prijs voor keramiek en de boot is vertrokken.
De galerijen openen hun deuren en met het prijzengeld dat hij her en der wint start hij een eigen atelier in de Aaigemstraat aan het station in Gent.

Zijn leven evolueert naar een soort dubbel leven, zijn leven als ingenieur en zijn leven als beeldhouwer.
Hij evolueert naar een gespleten persoonlijkheid met een symbiose-leven. Om zijn kunst uit te oefenen heeft hij het geld van zijn job nodig en om over de stress eigen aan zijn job baas te blijven heeft hij dan terug zijn artistieke escapades nodig.

Begin jaren 90 wordt hij gevraagd om met HAM mee te werken, uit die vruchtbare samenwerking worden verschillende projecten geboren waaronder "Het monument voor de verdwenen personen aan het Gravensteen" en "de Gentse Poëzieroute" om de belangrijkste te noemen.