vorige "Noeit mee twieen, wriee weinig alliene, ten minsten mee drij^n"
Verhaal bij de bronzen en keramisch scultuur van MaRf
 
Een geur van verf en vernis.

Of die drie daar buiten zich voortaan in een definitief stilzwijgen zullen hullen, weet ik niet. Ik kan ze ook niet elke dag tot spreken dwingen, zelfs niet op een hoogdag als vandaag. Gisteren had ik met alle drie een interview. Ik had ze op het terras voor het kasteel aan een tafeltje uitgenodigd, kwestie van makkelijk zitten, een koffie of een biertje aanbieden zodat de tongen in hun mond langzaam zouden loskomen. Een heel doorzichtig trucje, maar het werkt meestal. Ik was ervan overtuigd dat ze heel veel over de Campagne wisten, zelfs meer dan de conservator-conciërge en die heeft er meer dan een pan van vol. Maar als het er op aan zou komen, zouden zij misschien wel bereid gevonden worden om over politiek te praten, zij hebben immers niets te verbergen, zo doorzichtig zijn ze. Tenminste zo zijn ze me vanaf de eerste ontmoeting bijgebleven en ik heb geen reden om aan te nemen dat ze veranderd zouden zijn omdat ze hier dag en nacht komen. De Campagne is een open park en het kasteel mag door de hele stad en zijn aanverwanten gebruikt worden. Zo heb ik het toch altijd begrepen. Toen verhief de middenste van de drie, eigenlijk ook de dikste, zijn zware stem en zei prompt dat het vandaag niet het moment was om het daarover te hebben en de reden waarom de restauratie van het kasteel zo lang geduurd had, nee die hoefde ik niet bij de paters Jezuïeten te zoeken. In 1923 werd alles bij de notaris geregeld ! So what ? Hij had een stem als een klok. Heel even schrok ik en liet mijn rode notitieboekje dat ik altijd bij de hand had, in het zand van het terras vallen. Mijn eerste vraag had ik nog niet eens geformuleerd. Een beetje beteuterd keek ik naar het prachtige park dat zich in het licht van een stralende lentezon voor mij uitstrekte. Ik zat met mijn rug naar de centrale trap buiten aan de voorgevel. De leuning was net in het zwart geschilderd. Ik rook de verf nog. De schilder had duidelijk zijn best gedaan, er was geen enkel storend streepje te zien.

Alle drie trokken ze de koord gelijktijdig wat strakker om hun buik. Op hun gezicht was niet echt spanning af te lezen, hun blik stond eerder op oneindig. Ik zou bijvoorbeeld nooit te weten komen of ze dit inhuldigingsfeest hier wel konden apreciëren. Hun handen gingen ook nooit naar hun pastoorshoed om de vele bezoekers te groeten. Ze probeerden hem ook nooit naar de wind te zetten zoals vroeger bij pastoors wel eens vaker voorkwam als de burgemeester een bezoekje bracht en het dak van zijn kerk aan een dringende herstelling toe was. Ze zaten ook niet aan hun soutane te friemelen. Dat laatste zou trouwens niet zo makkelijk zijn geweest. Hun geestelijke vader was duidelijk van het zuinige type en niet erg kwistig met de stof. Hier en daar vertoonden de soutanes zelfs openingen waar je zonder problemen koolschoppen van mannenhanden kon inleggen. Bij de dikke viel het nog mee. Hij nam dan ook de meeste plaats in zodat iedereen hem goed kon zien. Hij had ook dat typische van figuren die in alle omstandigheden nogal graag op de eerste rij staan. En misschien voelde hij zich deze week wel erg belangrijk. Nu ja, ik moet toegeven dat het voor de stad en voor de Drongenaars en hun Cultureel Platform natuurlijk een historisch moment is dat je dik in de verf moet zetten. Eindelijk iets positief in de kranten ! De vroegere cultuurschepen had dit hier moeten meemaken ! Ik kon het niet laten. Mijn ogen fixeerden zich op de gaten alsof ik ze dicht wou naaien. Ik kreeg medelijden. Had de restauratie van de Campagne dan zoveel gekost dat er niet een paar euro's overbleven om voor die arme novicen drie nieuwe soutannekes te bestellen, desnoods via een factuur met een lange betalingstermijn ? In grotere bedrijven gebeurt dit ook wel eens. Die kleine kleermaker zal het misschien wel eens moeilijk hebben om zijn stoffenleverancier te betalen, maar als grote kan je daar niet van wakker liggen. Het voornaamste is dat die paterkes hun soutannekes hebben en zo onder de mensen mogen komen.

In feite hadden ze alle drie spreekverbod. En pater superior en de novicenmeester waren nog echte jezuïeten. Dit wil zeggen, heel intelligent, om niet te zeggen uitgekookt. De derde moest er altijd bij zijn omdat er geen complot zou ontstaan bij de wandeling van de abdij van Drongen naar het buitengoed. Bij de zes beuken aangekomen, zouden ze wel eens kunnen uiteengaan en hun soutane bij de buurvrouw gooien. Je wist maar nooit. Afzonderlijk gaan , is trouwens nergens goed voor., er ontstaan scheuren en het individu wordt te kritisch en krijgt op den duur een eigen mening over alles en nog wat..Nee, dat konden de oversten niet toestaan. Onder geen beding. Stonden die tafeltjes er nog altijd onder die beuken ? Ze zouden beter eens gaan kijken vanavond als de novicen in hun bed lagen. Misschien moesten die daar wel weg. Een tafeltje nodigt uit tot kletsen en misschien wel fezelen en wie weet kwaadspreken of erger nog het over de vrouwen hebben. Tuurlijk was de verleiding groot. In het park zelf viel het eigenlijk nog wel mee. Slechts drie bankjes om even te verpozen . En bomen nodigen in het algemeen uit tot stilte, nietwaar. Maar niet alle novicen hadden een dichterlijke ziel, daar moesten ze toch ook aan denken. En ze hadden zelf ook een paar bankjes nodig als ze naar het landgoed kwamen. Nee, beter was het om meer toezicht te houden in de Kerkstraat. De novicen hadden het daar vast heel moeilijk, er waren minder bomen en meer vrouwen en meisjes die hen vanachter een muurtje of een gordijntje in de gaten hielden. En die van Luchteren waren nogal nieuwsgierig van aard. Droegen die schone, jonge zwartrokken een broek onder hun soutane en waren hun benen spierwit ? Je kon de nieuwsgierigheid zo op de gezichten van die vrouwen aflezen.

Heel even was ik me niet bewust van de aanwezigheid van een heleboel mensen buiten en in het kasteel. Ik zat maar naar de grillige vorm van de vijver te kijken en naar het vlakke, witte bruggetje.helemaal links van me. In de verte hoorde ik eenden kwaken en nog verder het gejoel van spelende kinderen. Ineens zag ik mijn rode notitieboekje weer op het tafeltje liggen. Het lag een beetje open. Op een nog onbeschreven bladzijde. De drie novicen zaten niet meer aan mijn tafeltje. Ik keek opzij naar de rechtertrap en zag de zwarte verf op de leuning glanzen. Toen viel mijn blik op de grote dennenboom en ineens zag ik ze weer. Ze stonden recht naar de gevel van het kasteel te kijken, één en al aandacht. Het leken wel surveillanten op een speelkoer. Misschien hadden ze vandaag wel toezicht en kregen ze het spiedende oog van de conservator in de gaten. Ja, dacht ik, misschien is het daarom dat ze niet meer bij mij willen zitten. Hun blik had in elk geval iets van een speurende roofvogel. De middenste, de dikke alweer, keek daarbij nog heel streng en leek de ramen van de voorgevel te tellen. "Achtien boven en achtien onder ", meende ik hem te horen zeggen, maar ik was al niet meer zeker. " Moesten jullie dat vaker doen toezicht houden op jullie confraters, " probeerde ik heel voorzichtig ? "Ben jij soms van de stad misschien ", klonk ineens weer een zware stem ? Zijn stem had ik duidelijk herkend want de twee anderen hadden totnogtoe geen gebenedijd woord gesproken, ze zwegen als een graf. "De middenste, de dikke, " dacht ik spontaan. Een echte jezuïet, hij beantwoordt mijn vraag meteen met een wedervraag. Ze zullen het nooit afleren. " Neenee ", replikeerde ik snel, " ik kom alleen maar even op bezoek, ik hou wel van parken en kastelen, ze mogen heel oud zijn en er een beetje verwaarloosd bijliggen, dat stoort me niet, maar eigenaardig genoeg raak ik ook wel bedwelmd door de geur van verse verf en vernis. Ja, het is iets contradictorisch in me, ik weet soms niet goed wat ik er mee aan moet. Misschien is het beter dat ik toch maar eens een speciale dokter ga opzoeken. Telkens ik een oud gebouw betreed met van die houten vloeren die ze in een nieuw kleedje hebben gestoken, stijgt de adrenaline me naar het hoofd en wil ik in een ongelooflijk snel tempo elke ruimte zien.Misschien heb ik wel een afwijking ? " Daar ging ik weer. Hoe vreemder de gesprekspartner, des te sneller ik tot ontboezemingen overga. Niemand hoeft toch te weten dat ik ze bij momenten niet alle vijf bij elkaar heb. Het is hopeloos, ik leer het nooit af.

Aan mijn tafeltje bleef het muisstil en aan de dennenboom veroerde er zelfs geen naaldje. Binnenin het kasteel was het een heen- en weergeloop van jewelste,maar om de een of andere reden zag ik het niet. Eén moment werd er zelfs zo luid gesproken dat ik dacht dat er misschien een muur zou instorten. Zover kwam het echter niet. De conservator-conciërge had het gevaar duidelijk zien aankomen en vroeg meteen aan een paar harddweilende labeur-jongens een paar steunbalken te gaan halen zoals ze gebruikt hadden bij de ondersteuning van die vloer waarover de judoka's het altijd hadden. " Hopelijk is het de laatste keer, " zei hij langs zijn neus weg. De vrouwen rondom hem knikten instemmend en één van hen zei nogal heftig dat ze die muur toch niet zomaar konden laten begaan en dat ze er de volgende keer de stad zou bijroepen, ja de stad. Iedereen had hier zo zijn best gedaan om elke muur stevig recht te laten staan en zelfs hoeken recht te maken, dat ze er niet meer tegenkon dat een muurtje het plots zou begeven. De vrouw had het heel kordaat gezegd. Toen nam ze een dweil en probeerde voor de vijfde keer de zwarte stenen vloer weer proper te krijgen. De man naast haar grijnslachte achter zijn brilleglazen, hij had al vaker zwarte stenen gezien die je maar niet wit kon krijgen.

"Heb je al eens gekeken of je hier de kleur van bloed ziet ? " Ik zat nog steeds een beetje beteuterd voor me uit te staren. Een hele sliert kabouterkindjes van een stadsschool liepen kwetterend over het kleine bruggetje een eindje voorbij de grote dennenboom. De juffrouw liep helemaal achteraan. De stem kon deze keer niet afkomstig zijn van de dikke, ze klonk niet als een klok. Eerder roestig piepend als van een versleten scharnier. Van een kindje kon ze niet afkomstig zijn, daarvoor was ze nog te laag. En van de juffrouw ook niet, het jonge, knappe ding had er het gezicht niet naar, alhoewel het wel eens kan tegenvallen natuurlijk. Het stemgeluid kwam duidelijk van de buitenkant. Van uiterst rechts. Die met nog een klein beetje fatsoenlijke soutane. Ja, hij was het. " Hoe kom je daar bij, " zei ik een beetje op mijn nest gepakt, " ik heb hier geen rood bespeurd? " " Toch wel, graaf maar eens goed, misschien vind je in de kelder nog wel rode, vochtige sporen op de een of andere muur. " " Van het water, nee dat kan niet, dat is meestal schimmelig grijs-wit ? " Alsof ik alles over kelders wist. " Nee, je moet nog dieper graven. " Zijn stem kraakte bijna. " Echt verdriet is altijd ver en diep. " Hij spreekt in orakels. O ja, maar wacht eens, nu weet ik het. De tiende januari van het jaar 1815. De edele heer Ludovicus Haemelinck, door soldaten doorstoken met een zwaard. Het waren kanonniers uit Hannover in Duitsland. Het moet verschrikkelijk zijn geweest. Zijn moeder, Lucia Van den heeke en zijn vader Joseph zijn van verdriet veel vroeger gestorven dan voorzien. Waarschijnlijk een liefdesdrama. De soldaten en hun zoon hadden zeer veel gedronken. Het staat niet echt in de boeken, maar de geest van zijn lief dwaalt hier nog altijd rond. Het moet een schoon jong zijn geweest, met van die lange, blonde vlechten en blauwe ogen. Vroeger vond je die hier in de streek wel meer. Nu zijn ze een beetje uitgestorven. Denk ik. Ja, geblondeerd, die vind je nog wel. " Jaja, als je uw verleden definitief begraaft, leer je niets bij! " Zijn stem klonk nog roestiger dan de eerste keer. Het was nu mijn beurt om mijn blik op oneindig te zetten en zogezegd naar de witte ganzen te kijken die zich zo-even in het jonge lentegras hadden neergevleid. Heel even werd het helemaal stil rondom mij, zelfs het drukke heen-en weergeloop van mensen die inderhaast iets wilden klaarstomen, had opgehouden. En ook de hoge beuken en platanen zwegen.

Plots hoorde ik het boven achter me zachtjes kraken als van een oud raam dat een beetje moeizaam opengaat.. Met zijn rechterwijsvinger wenkte de conservator mij en lei meteen diezelfde vinger op zijn mond. Horen, zien en zwijgen. Samen bestegen we de nieuwe, zwarte trap.Hier en daar was er een steen van de tredes afgebroken. " Te weinig mortel, " wou ik zeggen, maar herinnerde mij bijtijds de wijsvinger en zweeg wijselijk. Misschien had iemand voor ons er helemaal geen aandacht aan besteed en was hij of zij zo gewoon aan het houten gekraak van de vroegere trap. Toen opende de conservator heel behoedzaam een nog maar pas geverfde deur en wenkte me met diezelfde rechterwijsvinger. " Het is hier verboden toegang, " zei ze laconiek. Haar stem klonk kordaat, maar had terzelfdertijd iets warms. Ik meende blauwe ogen te zien en blond haar. Ze stond voor één der vele ramen van de toekomstige kunstkamer en had het net opengemaakt. Zo leek het toch. Als naar gewoonte begon de conservator een hele uitleg, maar ze bekeek me alleen maar met een twinteling in haar ogen. Helemaal op mijn gemak voelde ik me niet. Wie was zij en waarom stond zij daar helemaal alleen aan dat raam.? De conservator zei dat ik een dichter was en dat ik…Verder kwam hij niet want hij wou me alweer in de nieuwe geheimen van het kasteel inwijden en hoe het er zou uitzien in de toekomst. Verstolen wierp ik een blik in de richting van de jonge vrouw. Het is soms sterker dan mezelf. Ze droeg geen lange, blonde lokken. Misschien was het wel een vermomming en had zij beneden in het park een afspraak gemaakt. Heel even zag ik haar ogen door het geopende raam in de richting van de drie novicen gaan. Als ik me niet vergiste heel speciaal naar die met zijn krakende stem. Bijna terzelfdertijd keek ik tersluiks door één der andere ramen alsof ik een bevestiging wou. Achter me had de conservator het voortdurend over de kunstschatten van de stad die naar hier zouden komen, maar ik knikte maar en deed alsof ik geboeid luisterde. Heimelijk keek ik naar haar fijne handen en meende in een flits een rode kleur te bespeuren. Misschien was ze na de moordpartij op haar liefste in paniek het kasteel binnengerend waar ze eigenlijk niet mocht binnenkomen omdat ze van te lage komaf was. Misschien had ze zich huilend op de jonge, dode man geworpen en had een kasteelknecht haar brutaal vastgepakt en buitengegooid want ze was misschien wel de directe aanleiding tot de moord, daar op het kasteel bij de Boskeete. Heel even had ze nog haar vingers op zijn wonde gelegd. Het bloed was nog niet helemaal gestold. Ja, zo moet het ongeveer gegaan zijn, alleen pastoors schreven daar niet over. Als de conservator en ik opnieuw het geopende raam voorbijgaan, glimlacht de jonge vrouw naar me. Heimelijk kijk ik naar haar handen. Ik kan me niet van dat vleugje rood ontdoen Ik krijg het ineens warm. Het liefst wil ik nu zo snel mogelijk naar beneden en naar buiten...

Beneden zijn vrouwen druk bezig met de koffie en de taartjes. De tentoonstelling ziet er kleurig uit. Textiel. Er komt een geest binnen met een reusachtige filmcamera op zijn schouder. De conservator bestelt koffie en taart. De geest komt uit een langvervlogen tijd. Stilaan geeft het kasteel zijn geheimen prijs. De kleur is lichtgeel. Zoals de zon vandaag.Ik daal de centrale trap af en kijk nog hoe de schilders voor de afwerking zorgen. Vooraleer in mijn auto te stappen blijf ik nog enkele ogenblikken voor het bronzen beeld van Marf staan. De drie novicen staan er schijnbaar onbewogen bij. Ik kijk naar hun pastoorshoedje en droom van mijn eigen verleden, toen ik nog jong was en op het kasteel woonde. Het blonde meisje met de blauwe ogen en de lange vlechten woont allang in zo een nieuwe wijk met soms nieuwe kastelen van huizen en kleinkinderen die op een zomerse lentedag met de juffrouw meegaan naar de kinderboerderij of naar het bospark waarin een groot kasteel staat en misschien wel een blonde prinses woont.

Woensdag 28 april 2004
Drongen, CC.de Campagne officiële inhuldiging van het gerestaureerde kasteel
Tekst en vertelling door Thomas Rubico, muzikaal begeleid door Jos Genbrugge





Campagne-Park


Ik steek nu mijn handen
in gespleten wonden
mijn verhaal
een vat vol gaten
mijn kasteel slechts
een eendenhuisje
van hoge bomen
vang ik het kleinste blad
kabouters kennen mijn stam
ik verzamel verdronken verlangens
van kromme vijvers
weet ik hoe het kwam.


Thomas Rubico-28.04.2004


vorige "Noeit mee twieen, wriee weinig alliene, ten minsten mee drij^n"